De panfluit

De panfluit is één van de oudste instrumenten. Aan het ontstaan van de panfluit is een Grieks verhaal verbonden. De god Pan was smoorverliefd op een bosnimf, maar Pan zag er niet uit: hij had een gewoon bovenlijf, maar van onderen was hij eigenlijk een bok met hoefjes en haren. De bosnimf was bang voor hem en ze vluchtte steeds weg als hij kwam. Op een keer kon ze niet wegvluchten en veranderde ze in rietstengels. Pan was zo boos dat hij blies van kwaadheid en toen kwam er een toon uit de rietstengel. Hij bond meer stengels aan elkaar en zo is de panfluit ontstaan. Een panfluit wordt ook wel een herdersfluit genoemd omdat de herders erop bliezen als ze de kudde aan het hoeden waren.

De panfluit wordt gemaakt van bamboe of van hout. Alle losse buizen worden tegen elkaar aangelijmd en vormen zo samen de fluit. Het instrument bestaat uit een aantal pijpen die aan de onderzijde zijn gesloten. De toonhoogte wordt bepaald door de lengte van de pijpen.  Hoe korter de pijp, hoe hoger de toon, hoe langer de pijp, hoe lager de toon.

Er zijn allerlei soorten panfluiten. De kleinste fluit is de sopraanfluit. je hebt ook de bas- tenor- en altpanfluit.  De meest bespeelde panfluit is de altpanfluit.

Arie bespeelt de Roemeense panfluit van het merk Preda. De Roemeense panfluit kenmerkt zich door de halfronde vorm en is veelal van bamboe gemaakt. Toch wordt de panfluit tegenwoordig ook van andere materialen gemaakt zoals hout, metaal, glas of koper.

De dichtheid van het hout speelt een grote rol bij de klank en het is mogelijk een groot volume te maken zonder dat de klankkleur verandert. Deze panfluit op onderstaande foto heeft 22 pijpen en omvat 3 octaven. De Preda-panfluit is qua vorm goed hanteerbaar voor veel verschillende muzieksoorten. De foto hieronder is de altpanfluit. Deze heeft een bereik van G1 tot G4.

De foto hieronder is de tenorpanfluit en bestaat uit 25 pijpen. D1 tot G4